Nikolaas Demoen

Lof van de hand

CHRISTOPHE VAN GERREWEY

In 1934 schreef de Franse kunsthistoricus Henri Focillon Eloge de la main, een korte lofrede van de hand, met een nauwgezette beschrijving van dit lichaamsdeel zoals het voorkomt in de kunsten. Focillon schreef met een pen, en daarom wist hij dat alles wat wordt gemaakt door mensen, altijd in contact is geweest met handen. ‘Ik onderneem deze lofrede van de hand zoals men een vriendendienst vervult. Zelfs op het moment dat ik de tekst begin te schrijven, zie ik hoe mijn handen mijn geest aanspreken en op sleeptouw nemen. Daar zijn ze, deze onvermoeibare bondgenoten die gedurende zoveel jaren hun zorgende taak hebben uitgeoefend, het ene momenteel rustend op papier, het andere deze kleine, donkere, actieve en op elkaar gedrukte tekens vermenigvuldigend op het witte blad.’ De hand staat tussen ons en wat we doen – het bewaart op de meest zichtbare manier een herinnering aan het moment van het maken, waarvan het resultaat achterblijft, maar waarvan de totstandkoming verdwijnt. Handen maken of doen iets, maar vernietigen tegelijkertijd het ontstaansproces; handenarbeid resulteert in een product, maar ook in een afwezigheid. De hand is dus zowel de brug als de kloof tussen onze gedachten en onze objecten.

‘Handen zijn,’ schrijft Focillon, ‘bijna wezens met een ziel. Dienaren? Misschien. Maar gezegend met een energieke en vrije geest, met een fysionomie – gezichten zonder ogen en zonder stem, die toch kijken en praten.’

De specifieke rol van handen als werktuigen en als getuigen van het werk, maakt hen tot gezichten – tot blinde en stomme gezichten, die toch iets te zeggen hebben en die ons aankijken. In die poëtische paradox zitten de menselijke bezigheden vervat – zowel die van het handelen als van het beschouwen – en het is ook dit raadsel dat aan de basis ligt van het werk van Nikolaas Demoen.

Het is niet toevallig dat dit boek begint met een beeld uit de video A possible journey. Dit werk kan als een stille beginselverklaring worden gezien. De film is, zoals bijna al het werk van Demoen, in het atelier gemaakt. De plaats van het gebeuren en de precieze maar eenzame handeling van de kunstenaar, worden niet alleen aanschouwelijk gemaakt, maar ook als het eigenlijke onderwerp aangeboden. De kunstenaar stapt heen en weer zonder vooruit te komen, en hij beschikt over grote handen die door de beweging heen en weer zwaaien, zoals dat gaat wanneer men stevig aan het stappen is. Nochtans gebeurt er eigenlijk niets en wordt er geen vooruitgang geboekt. En toch is de still uit de film een beeld dat zelfstandig en met een eigen esthetiek op de bladzijde van een boek kan staan. Deze man is op weg naar iets, en de grootte van zijn handen laat vermoeden dat hij niet alleen verre afstanden zal afleggen, maar eveneens, wat zijn bestemming ook moge zijn, grootse dingen zal doen. Het werk maakt de belofte van een reis en van werk en handenarbeid zichtbaar, maar geeft meteen de enigszins treurige uitkomst mee: het gaat niet om echte beweging maar slechts om passen op de plaats, en de grote handen zijn vooralsnog niet tot grote daden in staat. Een nuloperatie? Misschien. Maar wat we eigenlijk zien, is de spannende en onuitputtelijke afstand tussen een menselijke handeling en het eindresultaat ervan.

Dat lijkt gezegd te kunnen worden over veel moderne of conceptuele kunst. De films die Bruce Nauman maakte terwijl hij in zijn studio op een stoel zat of een beetje heen en weer liep, zijn goede voorbeelden. Het verschil is echter dat Nauman wel ‘handelde’ maar niets meer ‘maakte’ – tenzij op een wel heel ironische manier een film die zijn eigen inactiviteit en zijn onvermogen tot esthetische productie documenteerde. Van een ‘echt’ object of een eindresultaat was geen sprake. Langs de andere kant zijn er kunstenaars die niet het resultaat onzichtbaar maken, als wel de handeling die tot het object aanleiding heeft gegeven. Hier is het werk van Richard Tuttle emblematisch: de objecten van Tuttle – schilderijen, tekeningen, collages, sculpturen – zijn elke band met hun totstandkoming kwijt. Het zijn pure en mysterieuze dingen, waarvan we natuurlijk nog zien dat ze gemaakt zijn, maar zonder dat we enig idee hebben hoe of waarom of op welke manier. Als bij Nauman de handeling geen resultaat heeft, dan heeft bij Tuttle het resultaat geen handeling. Tussen die twee artistieke uitersten – of in een combinatie van wat onverenigbaar lijkt – houdt het werk van Nikolaas Demoen zich op.

Het tweede beeld in Oog.Blue (eveneens afkomstig van een film) maakt dat ook zichtbaar. De beginsituatie wordt bepaald door twee diagonalen, als een sacrale en abstracte compositie. Dan verschijnt er een hand die de diagonalen aan het dansen brengt: blijkbaar gaat het om in de ruimte opgespannen buisjes, die zacht kletterend tegen elkaar slaan. In het atelier wordt iets gemaakt, maar het ‘maaksel’ wordt als het ware gecontamineerd met menselijke handen, als emblemen van het maken zelf. Het abstracte wordt niet met het concrete geconfronteerd omwille van een theoretisch engagement, maar omdat iets doen, hoe minimaal ook, nog terwijl het gebeurt al mooie en onverwachte gevolgen heeft.

Naast de hand is het ovaal een ander motto. Een ovaal is een van de meest minimale figuren die men kan bedenken zonder een toevlucht te nemen tot de geometrische basisvormen. Tussen rechthoek en cirkel, is het ovaal bijna antropomorf (het heeft de vorm van een oog) maar het is ook dienstbaar, als een kader waarin een foto ingelijst wordt of een schotel waarop voorwerpen rusten. Het ovaal doet zijn intrede in dit boek in een foto van een film: traag zweeft het heen en weer boven de planken vloer van het atelier. Uit veel minder lijkt een artistieke praktijk niet te kunnen bestaan. Toch wordt de blik gevangen, en is dit minimale uitgangspunt het begin van een reeks werken waarin de mogelijkheden en de eigenschappen van het ovaal worden gemaximaliseerd.

In de talrijke portretfoto’s is dat het geval. Een gezicht gaat schuil achter een wit ovaal dat wordt vastgehouden door een rechterhand. Op het ovaal zijn een paar onderdelen van een gezicht getekend. De ogen zijn eruit weggeknipt. Ook dit zijn dus, zoals Focillon handen omschreef, blinde en stomme gezichten die kijken en praten. De opening in het beeld wordt gereflecteerd: er zit als het ware een gat in de foto, maar die uitsnede heeft de vorm van een kader, en dat kader wordt doorboord op de plaats van de ogen, waardoor het ‘echte’ gezicht zichtbaar wordt – door te kijken. De kunstenaar grijpt in op een klassieke portretfoto, op zo’n manier dat het duidelijk en overzichtelijk is wat hij doet, maar zonder dat de gevolgen zich laten vastleggen. Een geconcentreerde maar speelse en poëtische aandacht voor gewone handen, ogen, benen en voeten, wordt in elk beeld van Oog.Blue geconfronteerd met een vormelijke en esthetische concentratie – en het resultaat is een combinatie die aan eenduidige betekenissen ontsnapt, en net daarom de aandacht vasthoudt.

Het werk van Nikolaas Demoen ‘focust’ niet, het wil geen maatschappelijke of politieke problemen oplossen, het is niet duidelijk wie of wat er door wordt  ‘onderzocht’, het valt de kunstgeschiedenis niet aan of zoekt er geen aansluiting bij, het is niet kritisch over het een of het ander – het is werk dat de ruimte en de afstand zichtbaar en voelbaar maakt tussen een handeling en een eindresultaat, net zoals handen dat doen als we er lang genoeg naar kijken. In zijn Cahiers schreef Paul Valéry: ‘Wat af is, is niet gemaakt.’ De werken in Oog.Blue zijn af precies omdat ze gemaakt zijn.